Breker

Ontwikkeling Europese einde-afval eisen voor recyclinggranulaten: grote gevolgen

De Europese Commissie werkt aan EU-brede einde afval (EoW)-criteria voor recyclinggranulaten. Het Joint Research Centre (JRC) wil op korte termijn de opdracht die het kreeg van de Europese commissie afronden. JRC doet voorstellen met daarin onder meer uitloogeisen, invulling van REACH eisen en een voorstel om dit alles via de Europese productnormen verplichtend op te leggen.

Omdat hier veel regelgeving en kennis bij elkaar komt, is het voorstel complex en technisch, maar kan ingrijpende gevolgen hebben voor de recyclingsector en de circulaire economie in Nederland en Europa. In verschillende lidstaten bestaan al goed functionerende nationale EoW-regelingen voor recyclinggranulaten. Als Europese einde-afvalcriteria worden ingevoerd, moeten deze regelingen echter verdwijnen. JRC motiveert de noodzaak van Europese criteria, met argumenten over interne markt en Europese uniformiteit. Omdat van grensoverschrijdende handel maar beperkt sprake is en waar nodig dit goed is geregeld, wordt dit in de sector niet als knelpunt wordt ervaren. Europese harmonisatie, die ook is gericht op wegnemen van handelsbelemmeringen, is er al via de Bouwproductenverordening en Europese productnormen.

Spanningen met CE-markering en markttoegang

De meeste soorten gerecyclede aggregaten zijn momenteel verplicht CE-gemarkeerd, waardoor ze op de markt mogen worden gebracht, ook als ze juridisch nog als afval gelden. JRC stelt nu voor om de einde-afval criteria onderdeel te maken van de CE-markering (de geharmoniseerde Europese productnormen onder de Bouwproductenverordening). Hiermee wordt EoW-naleving in de praktijk een voorwaarde voor markttoegang. Dit kan betekenen dat de groep recyclinggranulaten die niet aan de EoW eisen voldoet, maar die vandaag nog legaal mag worden toegepast, straks van de markt moet verdwijnen. Terwijl deze eisen dus niet gelden voor andere, concurrerende bouwproducten. Bovendien wordt de legitimiteit van het toepassen van de CE-markering afhankelijk gemaakt van de vraag of het product einde-afval is. Het mag duidelijk zijn dat dat veel onzekerheid kan geven. Dus samenvattend leidt dit tot extra kosten, nieuwe handelsbelemmeringen en onzekerheid in een toch al gevoelige markt.

Gebrek aan risicobenadering en impactanalyse

De uitloogwaarden en uitloogmethoden die worden voorgesteld voor de vaststelling van de einde-afvalstatus, zijn uit meerdere oogpunten contraproductief. Ten eerste zijn ze onvoldoende gebaseerd op een gedegen milieukundige risicoanalyse, die rekening moet houden met lokale (onder meer geologische) omstandigheden. Ten tweede is de voorgestelde uitloogmethode niet afgestemd op nationale en inmiddels Europees geaccepteerde normen. Dubbel testen ligt dan voor de hand. Ten derde is de ‘getrapte aanpak’ hoe de limietwaarden moeten werken geen oplossing. Wat onontbeerlijk is, is dat de nadelen van de geharmoniseerde Europese uitloogmethode (kolomproef die een lange doorlooptijd heeft en die deze praktisch onwerkbaar maakt) worden opgevangen. Het Nederlandse statistische (k-waarde) systeem is daarvoor bij uitstek bewezen geschikt, maar behoeft nog zeker Europese lobby en ondersteuning. De ‘getrapte aanpak’ betreft de EU-brede EoW-criteria (limietwaarden voor uitloging), met daarbovenop de mogelijkheid voor lidstaten om lokaal strengere eisen te stellen. In de praktijk leidt dit tot een onlogische situatie waarin een materiaal volgens EU-regels geen afval meer is, maar nationaal alsnog als afval wordt aangemerkt. Dat creëert juridische onzekerheid voor producenten, afnemers en toezichthouders. De criteria missen daardoor hun doel en lossen niets op.

Samen optrekken en tijd voor heroverweging

De sector trekt op Europese schaal eensgezind en breed op om de discussie met JRC en de Europese commissie aan te gaan. Het zou helpen als overheidspartijen zich ook uitspreken. De omvangrijke stroom bouwgrondstoffen zou bij uitstek voor Nederland, als lidstaat die op dit gebied vooroploopt en veel te verliezen heeft, rechtvaardigen dat hier serieus naar wordt gekeken. De kernboodschap vanuit de sector is duidelijk: de voorstellen proberen een oplossing te bieden voor een probleem dat in de praktijk niet bestaat. Inhoudelijk zijn de voorstellen niet acceptabel. Voordat de voorstellen worden opgenomen in bindende EU-regels, is daarom een grondige herziening noodzakelijk. Dit kan niet zonder gedegen analyse van nationale ervaringen en een open dialoog met de sector.